ECLI:NL:CRVB:2025:300
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, die sinds 2011 een WIA-uitkering ontving wegens volledige arbeidsongeschiktheid, werd per 5 mei 2019 door het UWV van haar uitkering ontheven omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek, waaronder een Functionele Mogelijkhedenlijst en een rapport van een arbeidsdeskundige.
Appellante betwistte dit en voerde aan dat haar psychische beperkingen ernstiger zijn dan door het UWV vastgesteld, met name vanwege angststoornis, depressie en obsessief-compulsieve stoornis. Zij stelde dat de medische beoordeling onzorgvuldig was en dat er sprake was van een verslechtering van haar situatie. Ook voerde zij aan dat de geselecteerde functies niet passend waren en dat zij geen urenbeperking kreeg toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was verricht en dat er geen sprake was van een verslechtering. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en wees het hoger beroep af. De Raad benoemde een onafhankelijke arbeidsdeskundige die bevestigde dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid en geselecteerde functies. Het beroep op het arrest Korošec om een deskundige te benoemen werd verworpen wegens ontbreken van onzorgvuldigheid.
Daarnaast werd vastgesteld dat de totale procedure bijna zes jaar duurde, wat de redelijke termijn overschrijdt. Daarom werd appellante een schadevergoeding van € 2.000 toegekend, waarvan € 333,33 door het UWV en € 1.666,67 door de Staat. Verzoek om vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen. De Staat en het UWV werden ook veroordeeld tot vergoeding van proceskosten gerelateerd aan de schadevergoeding.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering per 5 mei 2019 wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.