ECLI:NL:CRVB:2025:307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en weigering ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was ziekgemeld sinds november 2018 en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 20 januari 2020 omdat zij volgens een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen. Vervolgens werd een ZW-uitkering geweigerd per 17 april 2020 na een nieuwe medische beoordeling.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen waren onderschat, onder meer door diagnoses van pseudo-radiculair syndroom en psychische klachten, en dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat de belastbaarheid van appellante op de relevante data ongewijzigd was en dat er geen medische grond was voor een urenbeperking. De Raad vond het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend en verwierp de bezwaren van appellante. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken en oordeelde dat het UWV terecht de ZW-uitkering beëindigde en weigerde toe te kennen.
De hoger beroepen werden afgewezen en appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door C. Karman op 19 februari 2025.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering van appellante heeft beëindigd en geweigerd toe te kennen.