ECLI:NL:CRVB:2025:313

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2025
Publicatiedatum
5 maart 2025
Zaaknummer
22/3396 WIA
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarbij appellante per 2 april 2018 een IVA-uitkering werd toegekend. Naar aanleiding hiervan heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Centrale Raad van Beroep heeft het verzoek tot proceskostenvergoeding beoordeeld op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het bestuursorgaan (het UWV) geheel aan de bezwaren tegemoet was gekomen, is het gerechtvaardigd het UWV te veroordelen in de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken.

De Raad heeft de proceskosten begroot conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, inclusief kosten voor rechtsbijstand en reiskosten. Tevens is het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter F.M. Rijnbeek op 5 maart 2025.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

22/3396 WIA
Datum uitspraak: 5 maart 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 september 2022, 22/841 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.P. Drosten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Drosten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.
De Raad heeft het onderzoek heropend en F.J. Perquin, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 7 juni 2024 gerapporteerd. Appellante heeft haar zienswijze op dit rapport gegeven.
Het Uwv heeft op 3 september 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij aan appellante per 2 april 2018 een IVA-uitkering wordt toegekend.
Bij brief van 18 september 2024 heeft mr. Drosten namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruikgemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Het Uwv heeft daarbij de kosten van bezwaar vergoed.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-) in beroep en € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor een zienswijze, met een waarde per punt van € 907,-) in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De reiskosten van appellante voor de zitting in beroep en in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 102,14 op basis van openbaar vervoer tweede klas.
In totaal bedragen de te vergoeden kosten voor het Uwv € 4.183,64. Ook zal de Raad bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een totaalbedrag van € 4.183,64;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) S. Pouw