ECLI:NL:CRVB:2025:330
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tijdelijke verlening WIA-uitkering
Verzoekster heeft een WIA-uitkering ontvangen sinds oktober 2016 met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na een melding van verslechtering van haar gezondheid heeft het UWV het besluit genomen om de uitkering per 26 augustus 2020 te beëindigen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten, waarna verzoekster hoger beroep instelde.
Verzoekster vroeg om een voorlopige voorziening in de vorm van een tijdelijke verlening van de WIA-uitkering vanwege acute financiële nood. Zij ontvangt een netto uitkering van €847,38 per maand en haar echtgenoot is gestopt met werken om voor haar te zorgen, waardoor het gezinsinkomen ontoereikend is en het gezin betalingsachterstanden heeft.
De voorzieningenrechter erkent het spoedeisend belang, maar oordeelt dat op basis van het deskundigenrapport van een verzekeringsarts het niet aannemelijk is dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De medische onderbouwing is zorgvuldig en consistent, en de deskundige handhaaft haar conclusies ondanks de zienswijze van verzoekster.
Hoewel verzoekster een psychiatrisch onderzoek laat uitvoeren, is de uitkomst daarvan onzeker en verandert dit de beoordeling niet. Daarom is het niet redelijk waarschijnlijk dat het hoger beroep zal leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot tijdelijke verlening van de WIA-uitkering wordt afgewezen.