ECLI:NL:CRVB:2025:336

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2025
Publicatiedatum
5 maart 2025
Zaaknummer
21/2026 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na gewijzigde beslissing UWV

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Dit volgt uit het feit dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op 4 november 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar heeft genomen waarin het volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. Hierdoor bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen partijen.

Hoewel appellante het hoger beroep niet heeft ingetrokken, ontbreekt het procesbelang, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. De Raad heeft het nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten op grond van de toepasselijke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht.

Daarnaast is het UWV veroordeeld in de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor de verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, begroot op €6.802,50. Tevens wordt het betaalde griffierecht van €181,- door het UWV aan appellante vergoed. De beslissing is uitgesproken door E.W. Akkerman op 5 maart 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na gewijzigde beslissing UWV.

Uitspraak

21/2026 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 mei 2021, 18/6274 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 maart 2025
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 18 september 2024 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2024:1811, gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 4 november 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hierop een zienswijze gegeven.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Vastgesteld wordt dat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 4 november 2024 alsnog volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Hierdoor bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen partijen. Dat brengt mee dat, nu appellante het hoger beroep niet heeft ingetrokken, het hoger beroep van appellante door het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk wordt verklaard.
1.2.
Omdat het Uwv appellante na het instellen van beroep en hoger beroep tegemoet is gekomen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken.
1.3.
In de beslissing op bezwaar van 4 november 2024 heeft het Uwv al een vergoeding toegekend voor verleende rechtsbijstand in bezwaar.
1.4.
De kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden op grond van
het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 4,081,50 in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 3 punten voor het verschijnen ter zitting en 0.5 punt voor de schriftelijke zienswijze, met een waarde per punt van € 907,-) en € 2.721,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 2 keer 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze, met een waarde per punt van € 907,-), in totaal € 6.802,50.
Ook wordt bepaald dat het Uwv aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 6.802,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 181,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van D. Kovac als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2025.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) D. Kovac