ECLI:NL:CRVB:2025:348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als styliste, meldde zich ziek na een auto-ongeval en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en volgde het UWV in de medische beoordeling.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten, waaronder pijn, cognitieve problemen en visuele stoornissen, onvoldoende waren meegewogen en dat zij wel degelijk meer dan 35% arbeidsongeschikt was. Diverse medische rapporten, waaronder van een verzekeringsarts en een deskundige, verschilden over de aanwezigheid van diagnoses zoals whiplash en postcommotioneel syndroom en de mate van beperkingen.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat er onvoldoende medische gronden waren voor verdere beperkingen of urenbeperking. De Raad volgde deze deskundige en oordeelde dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd. Hoewel het UWV het besluit in strijd met de hoorplicht nam, was appellante hierdoor niet benadeeld. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.