ECLI:NL:CRVB:2025:354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem een WIA-uitkering toe te kennen per 7 oktober 2021, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Hij stelde dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar zijn geheugenproblemen en dat het UWV een onafhankelijke deskundige had moeten inschakelen. Daarnaast voerde hij aan meer medische beperkingen te hebben dan aangenomen en dat hij de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen die rekening hielden met zowel psychische als lichamelijke klachten. De arbeidsdeskundige had passend geselecteerde functies gemotiveerd. De Raad overwoog dat het UWV terecht geen psychiater inschakelde omdat de verzekeringsarts adequaat onderzoek had verricht en er geen discrepantie was.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd waarom de functies passend waren. Het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen werd afgewezen. Het hoger beroep slaagde niet en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.