ECLI:NL:CRVB:2025:359
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij volgens medisch en arbeidskundig onderzoek minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk, maar wel in staat is tot andere functies, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 14,17%, later bij bezwaar en beroep verhoogd naar 20,04%.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. Appellante voerde aan dat haar beperkingen, zowel lichamelijk als mentaal, onderschat zijn en dat de urenbeperking onvoldoende gemotiveerd is. In hoger beroep herhaalde zij deze standpunten zonder nieuwe medische informatie aan te dragen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank de zaak zorgvuldig heeft beoordeeld en dat de gronden van appellante onvoldoende aanleiding geven tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.