In deze zaak staat centraal of appellanten recht hebben op bijstand met terugwerkende kracht over de periode van 13 maart 2020 tot en met 27 april 2020 en of het college dwangsommen heeft verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op hun aanvraag.
Appellanten stelden dat zij bijzondere omstandigheden hadden omdat zij eerst een beroep deden op een voorliggende voorziening (Toeslagenwet) en daarna zo spoedig mogelijk aanvullende bijstand hebben aangevraagd. De Raad oordeelde dat dit niet het geval was omdat de aanvraag pas op 28 april 2020 werd ingediend, terwijl het besluit op de toeslag al op 8 april 2020 was genomen. Het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden is volgens vaste rechtspraak geen bijzondere omstandigheid voor terugwerkende kracht.
Verder werd geoordeeld dat het college op het moment van de ingebrekestelling al een besluit had genomen door de aanvraag niet in behandeling te nemen. Daardoor was het afdwingen van besluitvorming niet meer nodig en heeft het college geen dwangsom verbeurd. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarbij het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.