ECLI:NL:CRVB:2025:427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-besluit minder dan 35% arbeidsongeschiktheid ondanks toegenomen beperkingen
Appellant, werkzaam als onderwijsassistent, meldde zich in 2013 ziek met psychische klachten en ontving vanaf 2015 een WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Per 2018 werd de uitkering beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was vastgesteld. In 2021 meldde appellant toegenomen klachten, waarop het Uwv na onderzoek een arbeidsongeschiktheid van 19,37% vaststelde en een WIA-uitkering weigerde.
Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij medische en arbeidskundige rapporten werden opgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat alleen mentale beperkingen waren toegenomen, niet de lichamelijke. De geselecteerde functies werden als passend beoordeeld. De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek in het besluit, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe omdat appellant niet benadeeld was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, waaronder onzorgvuldigheid van het onderzoek en ongeschiktheid van functies. De Raad verwierp deze gronden, bevestigde de arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, en oordeelde dat het motiveringsgebrek niet tot benadeling leidde. Het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is per 1 juni 2019 en verklaart het hoger beroep ongegrond.