ECLI:NL:CRVB:2025:431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 36,48% door UWV
Appellante was werkzaam als medewerker thuiszorg en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek een arbeidsongeschiktheidspercentage van 36,48% vast. Appellante betwistte dit en voerde aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, mede doordat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier grondig had bestudeerd en aanvullende informatie had ingewonnen bij behandelaars. De Raad bevestigde deze beoordeling en vond dat de medische en arbeidskundige onderbouwing overtuigend was.
Appellante stelde dat haar psychische klachten ernstig waren en recent waren toegenomen, maar de Raad concludeerde dat deze toename in 2024 geen terugwerkende kracht had op de situatie in 2020. De Raad zag geen reden om een deskundige te benoemen en verwierp het hoger beroep, waardoor de vaststelling van 36,48% arbeidsongeschiktheid in stand bleef.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 36,48% per 27 maart 2020.