ECLI:NL:CRVB:2025:44
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek toekenning uitkering op grond van de Wuv
Appellant, geboren in 1939 uit een gemengd huwelijk met een Joodse vader, diende in november 2002 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvraag werd in april 2003 afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van de Wuv had ondergaan. In februari 2023 verzocht appellant om herziening van deze afwijzing, maar dit verzoek werd in augustus 2023 opnieuw afgewezen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, waarna de Pensioen- en Uitkeringsraad bij het bestreden besluit van 14 december 2023 het standpunt handhaafde. Hoewel een nieuw feit werd genoemd, namelijk dat de moeder van appellant zich na een bezoek van de Grüne Polizei moest melden aan de Euterpestraat in Amsterdam, oordeelde de Raad dat dit feit niet leidt tot het oordeel dat appellant zelf vervolging heeft ondergaan. Ook is niet gebleken dat de omstandigheden waarin appellant de oorlogsjaren doorbracht significant ongunstiger waren dan die van andere kinderen uit gemengde huwelijken.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het beleid om tweede generatie-problematiek mee te wegen per 1 januari 2002 is beëindigd en dat appellant destijds geen aanvraag heeft ingediend. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek op grond van de Wuv wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.