ECLI:NL:CRVB:2025:443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als visverkoopster en viel op 15 juli 2018 uit wegens ziekte. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering weigerde het UWV deze toe te kennen per 12 juli 2020 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante betwistte dit en stelde dat haar beperkingen niet volledig waren erkend, met name haar psychische klachten.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en vond het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, waarna de Raad een onafhankelijke verzekeringsarts benoemde. Deze concludeerde dat er onvoldoende medische gronden zijn voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid en geen reden voor een urenbeperking.
De Raad oordeelt dat het rapport van de deskundige zorgvuldig en consistent is en dat de arbeidsdeskundige de functies passend heeft geselecteerd. De Raad volgt het oordeel van de deskundige en bevestigt het besluit van het UWV. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.