ECLI:NL:CRVB:2025:445
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid, die het UWV per 9 september 2022 beëindigde omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het primaire besluit was gebaseerd op geschiktheid voor haar laatst verrichte werk (maatmanarbeid), het subsidiaire op geschiktheid voor geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde het besluit, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld en de arbeidsdeskundige voldoende motiveerde dat appellante geschikt was voor de maatmanarbeid. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had, met name op lopen, en dat de arbeidsdeskundige onvoldoende inzicht gaf in de werkbelasting.
De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek juist en zorgvuldig was, maar dat het oordeel over de geschiktheid voor de maatmanarbeid onvoldoende is onderbouwd vanwege onduidelijkheid over de loopbelasting. Daarom wordt het primaire standpunt verworpen. Het subsidiaire standpunt dat appellante geschikt is voor de geselecteerde functies, die fysiek licht zijn en passen binnen haar beperkingen, wordt wel gevolgd.
Hierdoor blijft de beëindiging van de WIA-uitkering per 9 september 2022 in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 19 maart 2025.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering per 9 september 2022 wordt bevestigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.