ECLI:NL:CRVB:2025:449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en toegenomen beperkingen
Appellante heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) telkens heeft geweigerd toe te kennen. De kern van het geschil is of de in 2015 gestelde diagnose ME/CVS een nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt die recht geeft op herziening van het besluit uit 2010.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, stellende dat de diagnose ME/CVS geen nieuw feit is en dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na het achttiende jaar. De Raad volgt dit oordeel en benadrukt dat de klachten pas sinds 2014 zijn toegenomen, wat buiten de relevante periode valt.
Appellante voerde aan dat de ziekte al sinds de puberteit bestond en dat het Uwv de gevolgen heeft onderschat. De Raad oordeelt echter dat de concentratie- en vermoeidheidsklachten destijds reeds zijn meegenomen en dat de nieuwe diagnose geen ander licht werpt op de situatie van toen.
De Raad ziet geen aanleiding tot benoeming van een onafhankelijke deskundige en concludeert dat het hoger beroep niet slaagt. De weigering van de Wajong-uitkering blijft daarmee in stand, en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten en toegenomen beperkingen.