ECLI:NL:CRVB:2025:451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen op achttiende verjaardag en vijf jaar daarna
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen vanaf haar achttiende verjaardag en de daaropvolgende vijf jaar. Het UWV weigerde de uitkering na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat appellante wel over arbeidsvermogen beschikte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door ernstige psychische klachten en hoofdpijnen niet arbeidsbekwaam was en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar beperkingen. De Raad oordeelde dat het UWV de medische informatie en arbeidsverleden zorgvuldig had gewogen, waaronder het behalen van een vwo-diploma en werkervaring in een supermarkt. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat appellante in staat was tot minimaal vier uur arbeid per dag, inclusief beschut werk met begeleiding.
De Raad stelde vast dat de door appellante ingebrachte aanvullende medische stukken reeds waren beoordeeld en dat er geen nieuwe feiten waren die aanleiding gaven het eerdere besluit te herzien. De Raad bevestigde dat appellante ondanks haar beperkingen over voldoende arbeidsvermogen beschikte in de periode in geding en wees het hoger beroep af. De weigering van de Wajong-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante arbeidsvermogen had op haar achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna.