ECLI:NL:CRVB:2025:470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na een auto-ongeluk meldde zij zich ziek en diende zij een aanvraag in. Het UWV voerde medisch en arbeidskundig onderzoek uit, waarbij beperkingen werden vastgesteld en passende functies werden geselecteerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar fysieke en psychische klachten onvoldoende waren betrokken en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, onder meer door het niet raadplegen van haar behandelaars en het niet naleven van het protocol WAD I/II.
De Raad volgde deze standpunten niet. De medische beoordeling van het UWV werd onderschreven, waarbij de Raad oordeelde dat de ingezonden medische stukken onvoldoende aanleiding boden om de vastgestelde beperkingen te betwijfelen. Ook de arbeidskundige beoordeling werd als voldoende gemotiveerd beoordeeld. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.