Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak is het hoger beroep behandeld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het door het CAK vastgestelde rekeningsaldo van appellant voor 2022 op €5.345,- in stand hield. Appellant betoogde dat hij al vanaf 6 augustus 2008 als gemoedsbezwaarde voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) moet worden aangemerkt, wat zou leiden tot een hoger rekeningsaldo. Tevens stelde appellant dat de bewijslast omgekeerd moet worden en dat het CAK moet aantonen dat hij niet eerder om ontheffing heeft gevraagd.
De Raad overweegt dat de datum van aanmerking als gemoedsbezwaarde door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wordt vastgesteld en dat het CAK deze datum volgt. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant gemotiveerd verworpen en de Raad onderschrijft deze overwegingen. Tevens is in een eerdere uitspraak het verzoek tot herziening afgewezen, waardoor de aanvangsdatum van 1 december 2019 blijft gelden.
Het hoger beroep wordt verworpen, waarmee het bestreden besluit en het rekeningsaldo ongewijzigd blijven. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 maart 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het rekeningsaldo van €5.345,- voor 2022 blijft gehandhaafd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.