ECLI:NL:CRVB:2025:48
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kostenvergoeding bezwaarprocedure wegens niet-beroepsmatige rechtsbijstand
Appellant, een minderjarige met een verstandelijke beperking, diende een aanvraag in voor langdurige zorg. Het CIZ wees hem een zorgprofiel toe, waarna appellant bezwaar maakte. Het CIZ verklaarde het bezwaar gegrond en wijzigde het zorgprofiel, maar weigerde de kosten van de bezwaarprocedure te vergoeden omdat de rechtsbijstand niet beroepsmatig was verleend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, omdat de rechtsbijstand werd verleend door de vader van appellant, die tot hetzelfde huishouden behoorde, en dus niet op zakelijke basis kon worden beschouwd. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank procedurefouten had gemaakt en dat de rechtsbijstand wel op zakelijke basis was verleend, onderbouwd met een betaling van €500.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank voldoende gemotiveerd heeft en geen procedurefouten heeft gemaakt. De Raad bevestigt dat een familierelatie op zich niet uitsluit dat rechtsbijstand beroepsmatig is, maar dat als de rechtsbijstand wordt verleend door iemand uit hetzelfde huishouden, dit in principe niet het geval is. Appellant heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de rechtsbijstand op zakelijke basis was. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de weigering van kostenvergoeding blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het CIZ om kosten van de bezwaarprocedure te vergoeden omdat de rechtsbijstand niet beroepsmatig was verleend.