Uitspraak
3 oktober 2024, 23/5182 en 23/6793
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Het beroepschrift voldeed echter niet aan de vereisten van artikel 6:5 Awb Pro, omdat het geen beroepsgronden bevatte. Tevens werd geen schriftelijke machtiging overgelegd, terwijl dit op grond van artikel 8:24 Awb Pro kan worden verlangd bij vertegenwoordiging.
De Centrale Raad van Beroep heeft appellante via meerdere brieven in de gelegenheid gesteld deze tekortkomingen binnen vier weken te herstellen. Deze termijnen zijn ongebruikt voorbijgegaan, zonder dat redenen zijn aangevoerd die een verontschuldiging voor het verzuim rechtvaardigen.
Gezien het ontbreken van gronden en machtiging verklaart de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en ziet af van inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter D. Hardonk-Prins en griffier A. Giesen op 26 maart 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en schriftelijke machtiging zonder verontschuldiging.