ECLI:NL:CRVB:2025:497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2025
Publicatiedatum
4 april 2025
Zaaknummer
23/761 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit tarieven in strafzaken 2003
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na volledige tegemoetkoming door UWV met proceskostenvergoeding

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland inzake een socialezekerheidszaak. Het UWV nam op 22 mei 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in op 13 juni 2024 en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat bij intrekking van het beroep wegens volledige tegemoetkoming het bestuursorgaan op verzoek van de indiener in de kosten kan worden veroordeeld. Het UWV had reeds proceskosten in bezwaar vergoed en toegezegd de griffierechten te vergoeden.

De Raad begrootte de proceskosten voor rechtsbijstand op €3.628,- en reiskosten op €356,71, waarbij reiskosten voor bezoeken aan de gemachtigde niet werden vergoed. Daarnaast werden de kosten van deskundigen deels vergoed, in totaal €2.113,65. De totale proceskostenvergoeding bedroeg €6.098,36. Tevens werd het griffierecht van €184,- vergoed.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van deze kosten en verklaarde het hoger beroep ingetrokken. De uitspraak werd gedaan door C.F.E. van Olden-Smit op 2 april 2025.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten na volledige tegemoetkoming, en het hoger beroep wordt ingetrokken.

Uitspraak

Datum uitspraak: 2 april 2025
23/761 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 januari 2023, 20/3150 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O. Labordus hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 22 mei 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 13 juni 2024 heeft mr. Labordus namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben een nadere reactie ingediend.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 22 mei 2024 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Het Uwv heeft in de gewijzigde beslissing op bezwaar van 22 mei 2024 de proceskosten in bezwaar vergoed en toegezegd de betaalde griffierechten te vergoeden.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de (overige) kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De kosten voor verleende rechtsbijstand worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 2.721,- in beroep (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na het verslag van het deskundigenonderzoek en 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). De kosten voor verleende rechtsbijstand bijdragen daarmee in totaal € 3.628,-.
Het Uwv heeft ingestemd met vergoeding van de reiskosten van appellant zoals die door appellant bij brief van 12 september 2024 zijn toegelicht. De te vergoeden reiskosten bedragen in totaal € 356,71 (€ 109,20 voor het onderzoek bij het Expertise Instituut, € 202,51 voor het onderzoek bij WPEX en in totaal € 45,- voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar en de zittingen in beroep). De door appellant gemaakte reiskosten voor het bezoeken van zijn gemachtigde komen op grond van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking.
De kosten van de door appellant inschakelde deskundigen (van het Expertise Instituut) komen gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Appellant heeft van de factuur van 4 augustus 2021 (à € 2.147,75 inclusief omzetbelasting) een specificatie van 12 september 2024 overgelegd. De daarop genoemde administratiekosten van € 300,56 komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat artikel 1 van Pro het Bpb niet in vergoeding van deze kosten voorziet. De werkzaamheden van de verzekeringsarts (8 uren in 2021) en de arbeidsdeskundige (3 uren in 2021) komen voor vergoeding in aanmerking. Conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003 wordt daarbij uitgegaan van een maximaal uurtarief van € 134,04 (in 2021). Dit betekent dat een bedrag van € 1.784,07 (€ 1.072,32 + € 402,12, vermeerderd met omzetbelasting) voor vergoeding in aanmerking komt. Het Uwv kan zich hierin vinden. De op de factuur van 18 augustus 2022 genoemde werkzaamheden van de verzekeringsarts van 2 uur komen tot een maximaal uurtarief van € 136,19 (in 2022) tot een bedrag van € 329,58 (2 maal € 136,19, vermeerderd met omzetbelasting) voor vergoeding in aanmerking. Het Uwv kan zich hierin eveneens vinden. De kosten voor de door appellant ingeschakelde deskundigen bedragen daarmee in totaal € 2.113,65 (inclusief omzetbelasting).
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 6.098,36.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep (€ 48,-) en in hoger beroep (€ 136,-) betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 6.098,36;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2025.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) S. Pouw