ECLI:NL:CRVB:2025:502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA- en ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft zich ziekgemeld met psychische klachten en een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom de WIA-uitkering geweigerd. Daarnaast is een ZW-uitkering geweigerd omdat er geen medische aanwijzingen waren voor een wijziging in belastbaarheid.
De rechtbank heeft de weigeringen bevestigd en geoordeeld dat het UWV voldoende zorgvuldig heeft gehandeld en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst adequaat zijn vastgesteld. De door appellant ingeschakelde artsen konden hun beperkingen onvoldoende onderbouwen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de beperkingen onderschat zijn, onder meer vanwege autisme en spanningsklachten. De Raad heeft dit echter verworpen, stellende dat het UWV de beperkingen adequaat heeft gemotiveerd en dat er geen aanwijzingen zijn voor een toename van beperkingen.
De Raad bevestigt dat de weigering van de WIA- en ZW-uitkering terecht is en dat appellant geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA- en ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.