Appellant, geboren in 1970, heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) vanwege diverse gezondheidsproblemen waaronder hartproblemen en cognitieve beperkingen. Het CIZ wees de aanvraag af omdat appellant volgens medisch advies geen blijvende behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de adviezen van het CIZ als zorgvuldig beoordeelde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanuit de grondslag psychogeriatrische aandoening recht heeft op zorg vanwege zware regieproblemen, maar kon dit niet voldoende onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het CIZ terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een psychogeriatrische aandoening en dat de cognitieve problemen niet ernstig genoeg zijn voor een blijvende 24-uurs zorgbehoefte. De medisch adviseur heeft dit standpunt overtuigend gemotiveerd en de Raad bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.