Appellant, gehuwd met een niet-rechthebbende partner die in het buitenland woont, ontving bijstand naar de norm voor gehuwden met een niet-rechthebbende partner. Hij verzocht om verhoging van de bijstand op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet (PW), maar het college wees dit af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het onderzoek ter zitting achterwege, omdat geen van de partijen een zitting wenste.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte geen zitting had gehouden. De Raad oordeelde dat de rechtbank onjuist handelde omdat de gemachtigde van appellant wel reageerde op het verzoek om een zitting, maar geen actieve toestemming gaf om de zitting achterwege te laten. De rechtbank had daarom appellant moeten horen. Desondanks concludeerde de Raad dat het recht op een eerlijk proces niet was geschonden, omdat appellant zijn standpunt mondeling kon toelichten tijdens de zitting bij de Raad.
Verder oordeelde de Raad dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een zeer bijzondere situatie die een verhoging van de bijstand rechtvaardigt. De afwijzing van het college werd bevestigd. Vanwege de procedurefout veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep en tot terugbetaling van het griffierecht.
De Raad besloot de zaak zelf af te doen zonder terugwijzing naar de rechtbank, mede gelet op het vereiste van definitieve geschilbeslechting en het ontbreken van beletselen voor een volledige beoordeling door de Raad.