ECLI:NL:CRVB:2025:560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verdere terugwerkende kracht heropening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant verzocht het UWV om het besluit van 24 april 2019 te heroverwegen, waarbij zijn WAO-uitkering met ingang van 23 februari 2011 werd heropend. Hij vroeg om verdere terugwerkende kracht en overhandigde een verklaring van het bestuur van zijn woonplaats in Marokko als bewijs van verblijf sinds 2006.
Het UWV wees dit verzoek af omdat de verklaring geen nieuwe feiten of omstandigheden vormde in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant maakte bezwaar, stellende dat het verkrijgen van deze verklaring vanwege administratieve verschillen en woonplaats op het platteland in Marokko lastig was geweest.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de verklaring niet eerder kon overleggen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en liet in het midden of de verklaring eerder had kunnen worden ingebracht. Uit onderzoek bleek dat de verklaring op erewoord werd afgegeven en niet bewijst dat appellant daadwerkelijk op het adres woonde. Daarom was er geen grond voor herziening van het besluit van 24 april 2019.
Het hoger beroep werd afgewezen, waardoor de weigering van het UWV om het besluit te herzien in stand bleef. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om verdere terugwerkende kracht van de heropening van de WAO-uitkering wordt afgewezen en het besluit van 24 april 2019 blijft ongewijzigd.