Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand en werkte in de periode juli-augustus 2022, waarna het college de bijstand herzag en een bedrag terugvorderde wegens inkomsten uit arbeid. Appellant stelde dat hij slechts gedeeltelijk in augustus inkomsten had en over de rest van die maand recht had op bijstand, verwijzend naar artikel 45 lid 3 PW Pro.
De rechtbank wees het beroep af en bevestigde het besluit van het college. In hoger beroep stelde appellant hetzelfde standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant over beide maanden recht had op bijstand vanwege de inkomensvrijlating van 25%, waardoor de bijstandsnorm niet werd overschreden.
Er was geen sprake van een onderbreking van ten minste 30 dagen in de bijstandsontvangst, waardoor het beroep op artikel 45 lid 3 PW Pro faalde. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de terugvordering van € 1.513,87. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De terugvordering van € 1.513,87 blijft in stand omdat appellant recht had op bijstand over juli en augustus 2022 en geen onderbreking van 30 dagen plaatsvond.