In deze zaak staat de terugvordering van bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) centraal. Appellante, exploitant van een tattooshop, ontving bijstand in de vorm van leningen en bijstand voor levensonderhoud. Het college van burgemeester en wethouders van Emmen vorderde een bedrag van € 6.378,30 terug over het boekjaar 2018, omdat de netto winst van appellante hoger was dan de jaarnorm.
Appellante voerde aan dat het college een eigen aandeel had in het ontstaan van de terugvordering, omdat zij onvoldoende was geïnformeerd over de mogelijkheid om de verlening van bijstand op te schorten en dat zij pas aan het einde van 2018 wist dat haar bedrijfsresultaat boven de norm lag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd was de bijstand terug te vorderen op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Het college heeft appellante voldoende geïnformeerd over de voorwaarden en gevolgen van de bijstand. Het was de verantwoordelijkheid van appellante om haar bedrijfsresultaten te volgen en te reserveren voor terugbetaling. Het beroep op een eigen aandeel van het college faalt daarom.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen vergoeding van het betaalde griffierecht.