ECLI:NL:CRVB:2025:584
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 79,36% door UWV
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage door het UWV, dat op 79,36% is vastgesteld per 13 maart 2021. Hij betwistte de berekening van het maatmanloon, stellende dat ook bedragen op bankafschriften als loon meegewogen hadden moeten worden. Het UWV en de rechtbank gingen echter uit van het loon op de loonstroken, aangezien de bedragen op de bankafschriften niet als loon in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen konden worden aangemerkt.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het standpunt van appellant verworpen. De Raad oordeelde dat onvoldoende aanknopingspunten bestonden om de bedragen op de bankafschriften als loon te kwalificeren, mede omdat het mogelijk ging om vergoedingen voor kosten die niet als loon tellen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en het besluit van het UWV.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de toekenning van de WIA-uitkering met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin en uitgesproken op 16 april 2025.
Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 79,36% wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.