ECLI:NL:CRVB:2025:595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-pensioenaanvraag wegens ontbreken woon- en werkverleden in Nederland
Appellante, de derde echtgenote van een overledene die in Nederland woonde en AOW ontving, vroeg om toekenning van een AOW-pensioen nadat haar nabestaandenuitkering eindigde bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellante niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt en alleen de eerste echtgenote aanspraak kan maken op huwelijkse tijdvakken voor AOW-verzekering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigde dit oordeel.
Appellante voerde aan dat zij het pensioen nodig had voor haar gezin en persoonlijke behoeften, maar dit werd niet als grond voor toekenning erkend. De Raad oordeelde dat de aanspraak van de eerste echtgenote niet overgaat op appellante en dat het ontvangen van een nabestaandenuitkering geen recht op AOW-pensioen geeft.
Het hoger beroep werd verworpen, de afwijzing van de aanvraag bleef in stand en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een AOW-pensioen wordt afgewezen omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden en niet de eerste echtgenote is.