Appellant betwist de door de Sociale verzekeringsbank (Svb) toegepaste korting op de toeslag op zijn AOW-pensioen vanwege niet-verzekerde jaren van zijn echtgenote en de verrekening van haar inkomsten. De Svb had eerder een korting van 30% toegepast voor de periode tot oktober 2022 en een lagere korting van 28% vanaf november 2022, vanwege een verhoging van de aanvangsleeftijd voor AOW-verzekering.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 5 juli 2023 ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. De Raad toetst of de Svb terecht heeft geweigerd terug te komen op het eerdere besluit en of de berekening van de korting en de terugvordering juist zijn.
De Raad oordeelt dat de Svb terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit over de korting tot oktober 2022, omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die dit rechtvaardigen. Wel heeft de Svb correct rekening gehouden met de gewijzigde aanvangsleeftijd vanaf november 2022, waardoor de korting is verlaagd naar 28%. De berekening van het inkomen van de echtgenote is eveneens juist, omdat deze is gebaseerd op de polisadministratie en appellant geen bewijs heeft geleverd van onjuistheden.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor het besluit over de korting tot oktober 2022 en dat besluit wordt vernietigd. Het beroep tegen het besluit over de periode vanaf november 2022 wordt ongegrond verklaard. De terugvordering van te veel betaalde toeslag blijft gehandhaafd. De Svb moet de griffierechten vergoeden, maar appellant krijgt geen vergoeding voor verletkosten.