ECLI:NL:CRVB:2021:763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WIA-dagloon ondanks loonbetaling buiten referteperiode
Appellant was werkzaam als beleggingsspecialist en ontving na ontslag een WW-uitkering. Tijdens zijn WW-uitkering werkte hij bij twee BV's, waarna hij arbeidsongeschikt werd en een WIA-uitkering aanvraagt. Het UWV stelde het WIA-dagloon vast op basis van het loon in de referteperiode, inclusief de WW-uitkering en loon uit dienstverbanden bij de BV's, conform de polisadministratie.
Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon, met name omdat loonbetalingen in april 2015, die betrekking hadden op werkzaamheden in januari en februari 2015, buiten de referteperiode vielen. Hij stelde dat deze loonbetalingen alsnog moesten worden toegerekend aan de referteperiode en dat het ongemaximeerde WW-dagloon had moeten gelden.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht uitging van de polisadministratie en dat de wet- en regelgeving geen ruimte biedt voor een andere referteperiode of afwijkende loonberekening. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het loon dat na de referteperiode is betaald niet kan worden meegenomen bij de dagloonvaststelling, ook niet op grond van artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit. De Raad concludeert dat het bezwaar ongegrond is en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.