ECLI:NL:CRVB:2025:629
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake beslagvrije voet AOW-schuld
Verzoeker, woonachtig in België, ontvangt een AOW-pensioen en heeft een schuld bij de Sociale verzekeringsbank (Svb) van oorspronkelijk €8.843,26 wegens terugvordering toeslag en een boete. De aflossingscapaciteit werd na herberekeningen vastgesteld op een bedrag van €314,50 per maand, met een laatste termijn in juni 2025.
Verzoeker stelde dat hij ernstige financiële problemen ondervindt door een onjuiste vaststelling van de beslagvrije voet, met een te laag besteedbaar inkomen voor zijn vier inwonende kinderen. Hij vroeg de voorzieningenrechter om de beslagvrije voet op een hogere 5%-regeling vast te stellen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake is van een spoedeisend belang, mede omdat verzoeker niet is verschenen op de zitting en er onduidelijkheden bestaan over zijn werkelijke financiële situatie, waaronder mogelijke inkomsten als zelfstandige en verblijf in Brazilië. De bodemprocedure kan volgens de voorzieningenrechter worden afgewacht, aangezien de schuld juridisch vaststaat en de aflossing volgens regeling loopt.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.