ECLI:NL:CRVB:2025:646
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres en schending inlichtingenverplichting
Deze zaak betreft een hoger beroep tegen de intrekking van bijstand per 23 september 2021 door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college stelde dat appellante niet haar hoofdverblijf had op het opgegeven uitkeringsadres en dat zij de inlichtingenverplichting had geschonden door dit niet te melden.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde op het adres van X, maar wel dat zij de inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat zij niet op het uitkeringsadres woonde. Appellante voerde onder meer aan dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat zij zonder tolk was gehoord en dat haar verklaringen over het lage water- en elektriciteitsverbruik voldoende waren.
De Centrale Raad van Beroep verwierp deze bezwaren. Er waren geen aanwijzingen dat appellante de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en het verbruik was te laag om als hoofdverblijf te kwalificeren. Appellante verbleef regelmatig bij X en haar moeder, had persoonlijke spullen op het adres van X en er werd geen recente post of administratie op het uitkeringsadres aangetroffen. Gezien het geheel van feiten concludeert de Raad dat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en de intrekking van bijstand terecht is.
Het hoger beroep wordt afgewezen, het bestreden besluit blijft in stand en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De intrekking van bijstand blijft in stand omdat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en de inlichtingenverplichting heeft geschonden.