ECLI:NL:CRVB:2025:654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor laatst verrichte werk bevestigd
Appellante was ziekgemeld sinds september 2022 na een flauwvalincident tijdens haar werk als huishoudelijke verzorgende. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze per 17 mei 2023 op grond van een medisch oordeel dat zij geschikt was voor haar laatst verrichte werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de ernst van haar klachten naar het oordeel van de rechtbank juist had ingeschat. Appellante voerde aan dat zij door de aard van het werk met veeleisende klanten en tijdsdruk niet in staat was haar werk te verrichten, maar kon geen objectieve medische informatie overleggen die het oordeel van de arts ondermijnde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat appellante geschikt is voor haar laatst verrichte werk. De beëindiging van de ZW-uitkering blijft daarom in stand en appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 17 mei 2023 wordt bevestigd omdat appellante geschikt is voor haar laatst verrichte werk.