ECLI:NL:CRVB:2025:659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsvermogen en weigering Wajong-uitkering aan jonggehandicapte
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan omdat zij meende duurzaam geen arbeidsvermogen te hebben vanwege diverse psychische en fysieke beperkingen. Het UWV verrichtte een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek en concludeerde dat appellante wel arbeidsvermogen bezit, maar dat dit niet duurzaam is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij met begeleiding en in een rustige omgeving taken kan uitvoeren en afspraken kan nakomen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar werkzaamheden bij een winkel niet als werk konden worden beschouwd vanwege de omstandigheden en haar beperkingen. Zij stelde intensieve ondersteuning nodig te hebben en niet in staat te zijn taken uit te voeren of afspraken na te komen. Het UWV handhaafde haar standpunt dat appellante arbeidsvermogen heeft.
De Raad volgde de rechtbank en het UWV en oordeelde dat appellante objectief gezien in staat is om taken uit te voeren en afspraken na te komen binnen een aangepaste werkomgeving. De Raad stelde vast dat de medische rapporten geen gronden bevatten die het ontbreken van basale werknemersvaardigheden aantonen. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante arbeidsvermogen bezit en weigert de Wajong-uitkering toe te kennen.