ECLI:NL:CRVB:2025:662
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor laatst verrichte werkzaamheden
Appellante werkte als schoonmaakster en meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 1 juni 2023 na een medische beoordeling die haar geschikt achtte voor haar laatste werk.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het besluit van het UWV in stand hield vanwege voldoende medische onderbouwing en het ontbreken van objectieve afwijkingen die haar arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen.
In hoger beroep voerde appellante nieuwe medische stukken aan, waaronder een brief van een orthopedisch chirurg en een revalidatierapport. De Raad volgde het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat deze stukken geen aanleiding geven tot een ander oordeel over haar geschiktheid.
De Raad concludeerde dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd omdat appellante geschikt is voor haar laatst verrichte werkzaamheden. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd omdat appellante geschikt is voor haar laatst verrichte werkzaamheden.