Appellante, voormalig taxichauffeur, is sinds 2014 ziekgemeld en ontving een WIA-uitkering. Het Uwv stelde haar arbeidsongeschiktheid per 15 augustus 2018 vast op 54,63%, maar hield daarbij onterecht rekening met wazig zien alleen bij naar rechts kijken. Appellante stelde dat zij ook bij rechtuit en naar links kijken wazig ziet, wat gevolgen heeft voor de geschiktheid van geselecteerde functies.
De rechtbank oordeelde eerder dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, maar twijfelde aan de passendheid van functies. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het Uwv ten onrechte de beperking wazig zien beperkt heeft tot naar rechts kijken. Hierdoor zijn functies die fijne oog-handcoördinatie vereisen ongeschikt voor appellante.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten en beveelt het Uwv een nieuwe beslissing te nemen. Daarnaast wordt een schadevergoeding van €3.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, verdeeld tussen de Staat en het Uwv. Het Uwv wordt veroordeeld in proceskosten en het griffierecht wordt vergoed.