ECLI:NL:CRVB:2025:692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig NT2-docent, werd door het UWV per 28 juli 2020 geen WIA-uitkering toegekend omdat zij volgens onderzoek geschikt werd geacht voor haar eigen werk en minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die het besluit bevestigde, stelde appellante hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad liet een onafhankelijke verzekeringsarts een nieuw rapport opstellen, waarin werd vastgesteld dat appellante weliswaar fysieke beperkingen heeft, maar niet volledig arbeidsongeschikt is. Psychische beperkingen werden niet onderkend op de datum van beoordeling. De arbeidsdeskundige concludeerde dat de beperkingen geen invloed hadden op de geschiktheid voor het werk als NT2-docent.
Appellante voerde aan dat haar beperkingen waren onderschat en stelde dat discriminatie speelde, maar deze stellingen werden niet onderbouwd. De Raad volgde de deskundigen en oordeelde dat het UWV het besluit zorgvuldig had genomen en dat de medische en arbeidskundige onderbouwing in hoger beroep toereikend was. De Raad bevestigde het bestreden besluit, veroordeelde het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: De weigering van de WIA-uitkering aan appellante wordt bevestigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.