ECLI:NL:CRVB:2025:698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na langdurige ziekte, maar het UWV weigerde deze toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medisch en arbeidskundig onderzoek uiteindelijk zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was.
Appellante voerde aan dat zij door de ziekte van Crohn en cognitieve beperkingen meer arbeidsongeschikt was dan vastgesteld, maar de medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten (FML) ondersteunden dit niet voor de datum van 19 november 2021. De Raad volgde de rechtbank in de beoordeling dat de beperkingen niet zodanig waren dat zij aanspraak maakte op een WIA-uitkering.
De Raad oordeelde dat het UWV het aanvankelijke gebrek in het bestreden besluit tijdens het hoger beroep had hersteld en dat appellante hierdoor niet was benadeeld. De weigering van de WIA-uitkering bleef daarom in stand. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.