ECLI:NL:CRVB:2025:70
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 63,49% door UWV
Appellant was ziekgemeld sinds maart 2019 met diverse klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vast op 69,27%, maar na bezwaar werd dit bij besluit van februari 2023 herzien naar 63,49%. Appellant betwistte deze vaststelling en stelde dat hij meer beperkingen heeft, waaronder cognitieve en energetische beperkingen, en dat hij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep en vroeg tevens om benoeming van een onafhankelijke deskundige en vergoeding van wettelijke rente. De Raad heeft het hoger beroep inhoudelijk beoordeeld en concludeerde dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV voldoende en inzichtelijk gemotiveerd is.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende medische objectieve gegevens heeft aangeleverd die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen op de datum in geschil. De ingebrachte medische stukken hadden geen betrekking op die datum en konden het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet weerleggen. Ook de arbeidskundige beoordeling werd als passend en voldoende gemotiveerd beoordeeld.
De Raad wees het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige af wegens het ontbreken van twijfel over de juistheid van de medische beoordeling. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarmee het hoger beroep van appellant werd verworpen.
Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 63,49% door het UWV wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.