ECLI:NL:CRVB:2025:708
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om haar een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het Uwv minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zij stelt dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen, waardoor zij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het Uwv hebben onderzoek verricht en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd. Na bezwaar en beroep is de FML aangepast, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%. De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de weigering bevestigd.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. Het medisch onderzoek is zorgvuldig en adequaat gemotiveerd, waarbij ook informatie van de huisarts is betrokken. De arbeidskundige beoordeling is eveneens voldoende onderbouwd. Appellante heeft nagelaten haar stellingen met objectieve medische gegevens te onderbouwen.
De Raad concludeert dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend. Het hoger beroep wordt verworpen en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.