ECLI:NL:CRVB:2025:712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van beroepsgronden
Appellant heeft bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.
De gemachtigde van appellant is bij brief van 11 december 2024 in de gelegenheid gesteld om dit te herstellen binnen twee weken, met de waarschuwing dat niet-naleving tot niet-ontvankelijkheid kan leiden. Op 27 december 2024 meldde de gemachtigde onvoldoende input van appellant te hebben ontvangen om de gronden aan te vullen. De Raad herinnerde hieraan bij brief van 30 december 2024. Op 10 januari 2025 verwees de gemachtigde opnieuw naar het eerdere bericht.
De Raad constateerde dat appellant geen gronden heeft ingediend en dat er geen verontschuldigingen zijn voor dit verzuim. Daarom is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.