Uitspraak
4 november 2024, 23/5216
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Volgens artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht dient het griffierecht te worden betaald voor behandeling van het hoger beroep.
De gemachtigde van appellant is op 18 december 2024 en opnieuw op 21 januari 2025 schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €138,-, met duidelijke termijnen en waarschuwingen over niet-ontvankelijkheid bij niet-betaling. De betaling is echter uitgebleven binnen de gestelde termijnen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk zonder verdere inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Wolfrat op 6 mei 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.