ECLI:NL:CRVB:2025:758

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
20 mei 2025
Zaaknummer
22/3426 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 PWArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlaging bijstand wegens ontbreken woning en niet vergelijkbare woonkosten in daklozenopvang

Appellant ontvangt sinds augustus 2020 bijstand en verblijft sinds september 2021 in een daklozenopvang waar hij €10 per dag betaalt voor onderdak, drie maaltijden en sanitaire voorzieningen. Het college heeft de bijstand met 10% verlaagd op grond van artikel 27 van Pro de Participatiewet omdat appellant geen eigen of huurwoning heeft en de opvangvergoeding niet als woonkosten wordt aangemerkt.

De rechtbank heeft deze verlaging bevestigd, en appellant stelde in hoger beroep dat de vergoeding vergelijkbaar zou zijn met woonkosten en dat het college had moeten afzien van verlaging. De Raad oordeelt dat de vergoeding niet vergelijkbaar is omdat deze ook maaltijden omvat en dat het college bevoegd was de norm te verlagen volgens de beleidsregels.

Appellant voerde verder aan dat hij door de verlaging in financiële problemen zou komen en deed een beroep op artikel 4:84 Awb Pro. De Raad stelt vast dat appellant geen stukken heeft overgelegd die dit aannemelijk maken en dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant voldoende middelen overhoudt. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de verlaging blijft in stand.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 10% wegens ontbreken van woonkosten wordt bevestigd.

Uitspraak

22/3426 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 september 2022, 22/1526 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (college)
Datum uitspraak: 22 april 2025

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om een verlaging van bijstand in verband met het ontbreken van woonlasten. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de kosten die appellant maakt voor het verblijf in een daklozenopvang geen woonkosten als bedoeld in de toepasselijke beleidsregels zijn. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van die beleidsregels had moeten afwijken. Appellant krijgt dus geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.Y. Hofstra, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hofstra. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Marion en D. Rutgers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 10 augustus 2020 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Sinds 1 september 2021 verblijft appellant in [naam opvang locatie] , een opvanglocatie voor dak- en thuislozen In [woonplaats] . Hij betaalt daarvoor € 10,- per dag. Voor dat bedrag krijgt hij drie maaltijden, kan hij gebruikmaken van sanitaire voorzieningen en heeft hij ’s nachts onderdak.
1.3.
Met een besluit van 21 september 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 2 maart 2022 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2021 verlaagd met 10% op de grond dat appellant geen eigen woning aanhoudt. De vergoeding die appellant voor de opvang in [naam opvang locatie] betaalt, kan volgens het college niet worden aangemerkt als woonkosten in de zin van de Beleidsregels Woonkosten en schoolverlaters Participatiewet Hilversum 2015 (beleidsregels). Hierbij is in aanmerking genomen dat de vergoeding van € 10,- per dag inclusief maaltijden is. Gelet hierop is de bijstand van appellant op grond van artikel 27 van Pro de PW en de daarop gebaseerde beleidsregels met 10% verlaagd. Het college ziet geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij had moeten afwijken van de beleidsregels.
Uitspraak van de rechtbank
2.
Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit tot verlaging van de bijstand in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De (wettelijke) regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Appellant heeft allereerst een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. In dit verband heeft appellant aangevoerd dat in de gemeente Zaandam het beleid ruimhartiger is dan in de gemeente Hilversum. Zo wordt er in de gemeente Zaandam bijvoorbeeld een gebruikersvergoeding verschaft voor de situatie dat iemand in een garage verblijft. Deze beroepsgrond slaagt niet. De PW wordt immers decentraal uitgevoerd. Daarmee is de mogelijkheid van een verschil in uitvoeringspraktijk bij de toepassing van de wet- en regelgeving op het terrein van de bijstand een gegeven. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. [1]
4.3.
Appellant heeft verder, samengevat weergegeven, aangevoerd dat de vergoeding die hij voor zijn verblijf in [naam opvang locatie] moet betalen als woonkosten moet worden aangemerkt, althans dat die vergoeding in ieder geval met woonkosten vergelijkbaar is. Daarom had het college volgens appellant de bijstand niet met 10% mogen verlagen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe is het volgende van belang.
4.3.1.
Op grond van artikel 27 van Pro de PW kan het college, voor zover hier van belang, de toepasselijke bijstandsnorm lager vaststellen in het geval van het niet aanhouden van een woning. Het college heeft in de op grond van artikel 27 van Pro de PW gebaseerde beleidsregels bepaald dat de bijstandsnorm bij ontbrekende woonkosten wordt verlaagd met 10% van de norm voor gehuwden. Onder woonkosten wordt in de beleidsregels verstaan kosten van huur of kosten van een eigen woning.
4.3.2.
Niet in geschil is dat appellant vanaf 1 september 2021 geen huurwoning of eigen woning had. Dit betekent dat het college op grond van artikel 27 van Pro de PW bevoegd was de norm lager vast te stellen en dat het college in overeenstemming met de beleidsregels heeft gehandeld door de bijstand van appellant met 10% te verlagen. Voor zover appellant van opvatting is dat de vergoeding van € 10,- per dag aan [naam opvang locatie] vergelijkbaar is met kosten van huur en het college daarom had moeten afzien van de verlaging, deelt de Raad die opvatting niet. Alleen al omdat in die vergoeding ook de kosten van drie maaltijden per dag zijn begrepen, is die vergoeding niet vergelijkbaar met kosten van huur als bedoeld in de beleidsregels.
4.4.
Appellant heeft verder, samengevat weergegeven, aangevoerd dat hij door de verlaging van bijstand zijn maandelijkse lasten niet meer kan voldoen en daardoor in (ernstige) financiële moeilijkheden komt. Appellant heeft in dit verband een beroep gedaan op artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze beroepsgrond slaagt om de hierna volgende reden niet.
4.4.1.
Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft het college in zijn verweerschrift in beroep voorgerekend dat appellant (in juli 2022) een bedrag van € 539,98 overhield om vrij te besteden. Appellant heeft die berekening niet weersproken en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dit vanaf september 2021 wezenlijk anders was. De stelling van appellant dat hij door de verlaging niet meer kon voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft hij op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb van zijn beleidsregels had moeten afwijken.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de verlaging van de bijstand met 10% in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2025.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) M. Ramanand

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke (wettelijke) regels

Participatiewet
Artikel 27
Het college kan de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21, lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
Beleidsregels Woonkosten en schoolverlaters Participatiewet Hilversum 2015
Beleidsregel 5.4
De bijstandsnorm wordt bij ontbrekende woonkosten als bedoeld in artikel 27 PW Pro op de volgende wijze verlaagd:
- De verlaging wegens het niet aanhouden van woonruimte of bij kortdurend verblijf in een crisisopvang bedraagt 10% van de norm voor gehuwden; (…)
Beleidsregel 5.5
Onder ‘woonkosten’ wordt voor de toepassing van beleidsregel 5.4 het volgende verstaan: kosten van huur of in een geval van een eigen woning:
* hypotheekrente;
* onroerend zaakbelasting;
* opstalverzekering;
* onderhoudskosten woning (normbedrag);
* installatie voor centrale verwarming (normbedrag);
* liftinstallatie (normbedrag);
* kosten algemeen beheer en administratie (bij flatgebouwen en appartementen, normbedrag)
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8923.