ECLI:NL:CRVB:2025:789

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
24/2718 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat appellant het griffierecht van €138,- niet tijdig heeft voldaan, ondanks meerdere aanmaningen per brief en aangetekende post.

De Raad heeft appellant erop gewezen dat bij niet-betaling het hoger beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden. De termijn voor betaling is verstreken zonder dat het griffierecht is betaald, en de Raad kon redelijkerwijs niet oordelen dat appellant niet in verzuim was.

Daarom is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder verdere inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 mei 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

Datum uitspraak: 22 mei 2025
24/2718 MPW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
16 oktober 2024, 24/1139
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (Staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 8 februari 2025 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is meegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 12 maart 2025 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De aangetekende brief van 12 maart 2025 is op 7 april 2025 bij de Raad retour binnengekomen met de mededeling dat de brief niet is afgehaald. Op 9 mei 2025 heeft de Raad deze brief opnieuw aan appellant verzonden, ditmaal per niet-aangetekende post. Daarbij is appellant erop gewezen dat met deze nieuwe toezending geen nieuwe termijn is gaan lopen voor het betalen van het griffierecht.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2025.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.