ECLI:NL:CRVB:2025:796
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2018 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%, die na herbeoordeling door het UWV in 2022 werd beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%. Appellante betwistte dit en voerde aan dat zij meer medische beperkingen heeft dan het UWV aannam, en dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De rechtbank Limburg verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV. Appellante bracht een aanvullend expertiserapport in en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige, maar dit verzoek werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek en oordeelt dat de medische beoordeling, inclusief psychiatrische expertise, voldoende gemotiveerd is en geen aanleiding geeft tot twijfel.
De Raad stelt vast dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) adequaat is opgesteld en dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante. Het hoger beroep slaagt niet, waardoor de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.