ECLI:NL:CRVB:2025:801

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
27 mei 2025
Zaaknummer
22/3707 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Appellante stelde hoger beroep in tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college nam op 25 juni 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarbij het de maandelijkse inhouding op de bijstand van appellante stopzette en gemaakte kosten vergoedde.

Ondanks deze tegemoetkoming liet appellante weten zich niet te kunnen verenigen met de gewijzigde beslissing, met name omdat terugbetaling van ingehouden bedragen ontbrak en onduidelijkheid bestond over verrekening van het bedrag. Het college informeerde vervolgens dat de vordering door een derde volledig was voldaan, waarna appellante het hoger beroep en het beroep introk.

De Raad oordeelde dat het college met de gewijzigde beslissing aan appellante was tegemoetgekomen zoals bedoeld in de Awb en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten voor beroep en hoger beroep, begroot op € 2.721,-, en het betaalde griffierecht van € 186,-. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 13 mei 2025.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.721,- en griffierecht van € 186,- na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 mei 2025
22/3707 PW, 24/1533 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2022, 22/2866 en het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 25 juni 2024
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer hoger beroep ingesteld.
Het college heeft op 25 juni 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Namens appellante heeft mr. Kramer laten weten dat zij zich niet kan verenigen met de gewijzigde beslissing op bezwaar.
Deze beslissing wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.
Het college heeft hierop gereageerd en nadere stukken ingediend.
Bij brief van 26 november 2024 heeft mr. Kramer namens appellante het hoger beroep en het beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het college heeft op 25 juni 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft het college besloten de maandelijkse inhouding op de bijstand van appellante ter voldoening van een vordering van het college, vanaf 1 juni 2024 stop te zetten. Rekening houdend met de maandelijkse 5% reservering van vakantiegeld, kan appellante daardoor beschikken over 95% van de op haar toepasselijke bijstandsnorm. Vanaf 1 juni 2024 zal het vakantiegeld worden gereserveerd en jaarlijks worden verrekend met de nog openstaande vordering. Tevens heeft het college de gemaakte kosten in bezwaar vergoed tot een bedrag van € 1.248,-.
Namens appellante heeft mr. Kramer bij brief van 30 juni 2024 laten weten dat zij zich niet kan verenigen met de gewijzigde beslissing op bezwaar. Ten onrechte is daarin niet opgenomen dat de ingehouden bedragen aan appellante worden terugbetaald. Ook heeft het college niet duidelijk gemaakt welk bedrag hij voortaan zal verrekenen en hoe dat bedrag zal worden berekend.
Het college heeft in reactie hierop met een brief van 30 september 2024 bericht dat de vordering inmiddels door een derde volledig is voldaan en dat appellante geen openstaande schulden meer heeft. Naar aanleiding van deze brief heeft mr. Kramer het hoger beroep en het beroep ingetrokken.
Met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 25 juni 2024 is het college aan appellante tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb. Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), in totaal € 2.721,-. De in bezwaar gemaakte kosten zijn reeds vergoed.
Ook dient het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.721,-;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2025.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) R.L. Rijnen