Appellante stelde hoger beroep in tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college nam op 25 juni 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarbij het de maandelijkse inhouding op de bijstand van appellante stopzette en gemaakte kosten vergoedde.
Ondanks deze tegemoetkoming liet appellante weten zich niet te kunnen verenigen met de gewijzigde beslissing, met name omdat terugbetaling van ingehouden bedragen ontbrak en onduidelijkheid bestond over verrekening van het bedrag. Het college informeerde vervolgens dat de vordering door een derde volledig was voldaan, waarna appellante het hoger beroep en het beroep introk.
De Raad oordeelde dat het college met de gewijzigde beslissing aan appellante was tegemoetgekomen zoals bedoeld in de Awb en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten voor beroep en hoger beroep, begroot op € 2.721,-, en het betaalde griffierecht van € 186,-. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 13 mei 2025.