ECLI:NL:CRVB:2025:803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2019 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordeling door het UWV werd de uitkering beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante betwistte dit en stelde dat haar medische situatie verslechterd was, waardoor zij de voorgestelde functies niet kon vervullen.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en de medische en arbeidskundige beoordeling juist was. Appellante voerde hoger beroep aan tegen het besluit tot beëindiging van de uitkering per 27 augustus 2023 en stelde dat het UWV onzorgvuldig was geweest door geen recent medisch onderzoek te doen.
De Centrale Raad van Beroep constateerde dat het UWV het besluit op juiste wijze had genomen, ondanks het ontbreken van een recent spreekuurcontact. Dit gebrek werd gepasseerd omdat het niet tot benadeling leidde. De medische en arbeidskundige beoordelingen werden bevestigd, en het verzoek tot het inschakelen van een deskundige werd afgewezen. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat geen uitspraak deed over eerdere besluiten en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep tegen de beëindiging van de WIA-uitkering per 27 augustus 2023 werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 27 augustus 2023 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.