ECLI:NL:CRVB:2025:807
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens verlaging WAO-uitkering zonder onrechtmatig besluit
Appellant verzocht het UWV om schadevergoeding voor de verlaging van zijn WAO-uitkering in 1992, stellende dat deze verlaging gebaseerd was op een onjuist psychiatrisch rapport. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant destijds ongegrond en oordeelde dat het UWV-besluit rechtmatig was. In 2003 werd de WAO-uitkering van appellant weer verhoogd naar 80-100%, maar dit was niet gebaseerd op het eerdere rapport.
Appellant startte een procedure tegen het besluit van het UWV waarin zijn schadevergoeding werd afgewezen. Het UWV stelde dat er geen onrechtmatig besluit was genomen en dat de vordering tot schadevergoeding was verjaard volgens artikel 3:310 BW Pro. De rechtbank wees het beroep af vanwege verjaring en het ontbreken van onrechtmatigheid.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelde vast dat het rapport van de psychiater in opdracht van de rechtbank was opgesteld en niet ten grondslag lag aan het UWV-besluit van 1992. Hierdoor was er geen onrechtmatig besluit en geen rechtsvordering tot schadevergoeding. De Raad verwierp het beroep van appellant en liet de verjaringsgrond buiten beschouwing. Appellant kreeg geen vergoeding en moest de proceskosten dragen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van schadevergoeding blijft in stand.