ECLI:NL:CRVB:2025:816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten budgetbeheer wegens onvoldoende noodzaak aangetoond
Appellant, die sinds februari 2022 bijstand ontvangt op grond van de Participatiewet, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van budgetbeheer over de periode februari tot en met december 2022. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de kosten noodzakelijk waren.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij zijn financiën niet naar behoren kan beheren en dat zijn vader dit voorheen deed, maar hiervoor was geen steun in het dossier. Uit het leefzorgplan bleek dat appellant geen schulden had en geen financiële problemen kende ten tijde van de aanvraag.
De Raad oordeelde dat het college terecht het standpunt innam dat de kosten niet noodzakelijk waren en dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in een gelijke situatie verkeerde als andere cliënten die wel bijzondere bijstand ontvingen.
De Raad besloot het onderzoek zonder zitting te doen, omdat partijen geen gebruik maakten van het recht op mondelinge behandeling. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarmee de afwijzing van de bijzondere bijstand ongewijzigd bleef. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van budgetbeheer wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van noodzaak.